Een ode aan onbevangenheid.

Een ode aan onbevangenheid.

Onbevangenheid is voor mij geen eigenschap maar een oefening. In dit stuk onderzoek ik wat er gebeurt als ik begin vóór ik alles begrijp. Geen afgerond verhaal, maar een beweging die ik blijf volgen.

Raymond
20 min read


Lieve lezer,

Dit stuk is ontstaan uit iets wat steeds terugkomt in mijn leven. Niet als plan of overtuiging. Maar als beweging. Een manier van kijken die ik herken in hoe ik begin. Hoe ik werk. Hoe ik opvoed. En hoe ik soms bewust niet meteen afrond.

Onbevangenheid is voor mij geen ideaal. Het is een oefening. Eentje die me regelmatig ontglipt en waar ik steeds opnieuw naar terugkeer.

Ik heb dit geschreven omdat ik merkte dat ik steeds dezelfde vragen bleef stellen. Over vertrouwen. Over beschermen. Over wanneer iets af is en wanneer het juist open mag blijven. Over systemen die ons helpen en tegelijk iets van ons vragen. En over hoe makkelijk we onderweg iets kwijtraken dat ooit vanzelfsprekend was.

Het idee was dat ik dit in een dag zou schrijven. Het werden een paar weken. Niet omdat het moest kloppen. Maar omdat ik het wilde laten ontstaan. Zonder einddoel. Met maar één ambitie: iets maken wat ik zelf graag zou lezen. Iets waar ik in kan terugbladeren. Waar ik mezelf soms in herken en soms in tegenspreek. Iets dat niet af is. En waar ik zeker af en toe weer aan zal passen met nieuwe inzichten.

Je hoeft dit niet van begin tot eind te lezen. Sterker nog, dat hoeft helemaal niet. Zie het als een verzameling kamers, geen route. Sommige delen zijn persoonlijk. Andere schuiven op richting onderwijs, werk of systemen. Je mag overslaan. Teruggaan. Ergens blijven hangen. De tekst verliest daar niets door.

Wat je hier leest, is geen afgerond verhaal. En zeker geen conclusie. Het is een poging om woorden te geven aan iets dat zich lastig laat vastleggen.

Als er iets resoneert, neem het mee. Als iets niet landt, laat het liggen.Dat is misschien wel de meest onbevangen manier om dit te lezen.

Dank je wel dat je hier bent.

Raymond


Deel 1: Open blijven. 

Ik weet nog goed dat ik een jaar of twintig was en op straat werd aangesproken door een man die ik niet kende. Ik wandelde door Groningen en was vlak bij mijn huis. Of ik vijfentwintig gulden voor hem had. Hij zou het morgen terugbrengen.

Ik twijfelde geen seconde. Ik gaf het hem. Het zou logisch zijn om te zeggen dat ik had verwacht dat ik het nooit terug zou krijgen. Maar dat was niet zo. Ik had verwacht dat hij zijn belofte na zou komen. Ik heb hem nooit meer gezien. 

Jaren later trapte ik in een nep-sms. Het zag er overtuigend uit. Te overtuigend misschien. Ik maakte geld over en voelde pas daarna dat kleine moment van schaamte. Dat moment waarop je denkt: dit had ik beter moeten weten.

Natuurlijk baalde ik. Natuurlijk voelde ik me even dom. Maar die gevoelens waren kleiner dan een ander gevoel dat overheerste. Namelijk dat ik liever één keer te goed van vertrouwen ben dan dat ik mijn vertrouwen laat omslaan in wantrouwen. Ik weiger gewoon om dat te doen. 

Misschien is dat naïef. Misschien is het onhandig. Veel mensen zeggen van wel. “Word volwassen", dat soort dingen. Maar het voelt als een kleine prijs die ik maar al te graag bereid ben te betalen om die verbinding met mezelf niet te verliezen. Het is onderdeel van wie ik ben en zeker ook onderdeel van wie ik wil zijn. Altijd fijn als die twee dingen samenvallen.

Beginnen voor het weten. 

Ik begin vaak zonder te weten waar het eindigt. Niet omdat ik dat stoer vind, maar omdat ik anders niet begin. Geen plan, geen strategie, geen businesscase. Alleen een gevoel van: dit moet gemaakt worden. Omdat ik denk dat het anders kan. Vaak menselijker, mooier en beter.  

Ik heb geleerd dat als ik eerst helemaal wil begrijpen wat het is, ik het meestal kwijt raak. Dan wordt het te groot. Te zwaar. En begin ik niet meer. Het kost energie nog vóór er iets beweegt. Die energie kun je anders gebruiken. 

Ik stel me soms voor hoe dat zou zijn geweest bij het bouwen van een kathedraal. Als je eerst alles had moeten uitrekenen in Excel.  Vooraf had moeten weten hoe het eruit zou zien. Wat het zou kosten en of het wel af zou komen. Dan was er niets gebouwd volgens mij. Je begint met een steen. En nog één. En als een muur omvalt, begin je opnieuw.

Steeds teruggaan naar die open houding is belangrijk. Ruimte laten, open blijven en dingen laten ontstaan in plaats van ze af te dwingen. Met het besef dat het ook tot niets kan leiden. En dat dat ook oké is. 

De wiebelige zon.  

Misschien is dat wat onbevangenheid voor mij is geworden. Niet onwetend zijn. Niet alles zomaar geloven. Maar blijven kiezen voor openheid, ook als je al beter weet. Ik heb gemerkt dat op het moment dat ik mezelf te goed ga beschermen, ik ook iets anders verlies. Niet mijn scherpte, maar mijn verbinding. Met mezelf. En met anderen.

We leren onszelf steeds beter kennen naarmate we ouder worden. En tegelijk leren we hoe de wereld kijkt. Of althans, dat denken we te weten. We beschermen ons ego, en terecht. Het helpt ons functioneren, samenwerken, overeind blijven. Maar ergens onderweg wordt die bescherming permanent.Wat we winnen aan controle, verliezen we aan directheid. Aan spelen. Aan dingen maken zonder plan.

Als je vroeger een zon tekende in de hoek van je tekening, was hij niet rond. Maar wiebelig. Met een paar straaltjes en in elke kleur die op dat moment voorhanden was. Misschien klopte hij niet, maar hij voelde wel waar. Een wereld waarin alles nog een optie was. Waarin één en één soms elf mocht zijn. Waarin creëren belangrijker was dan verklaren. Niet omdat het waar was, maar omdat het ruimte gaf. Alles openhouden was je enige optie. 

Ramen die lucht geven.

Onbevangenheid voelt voor mij niet als iets wat je hebt of bent, maar meer als een raam dat open kan. Het raam zit er al. Als een soort luikje in je hoofd. Iedereen is ermee geboren. Alleen zetten we het steeds minder vaak open. Niet omdat we dat vergeten zijn, maar omdat we geleerd hebben dat het soms tocht. Wat mij betreft niet per se een goede reden om hem dicht te houden, toch?

Ik geloof steeds meer dat alles gewoon leuker en beter wordt wanneer we niet eerst alles willen dichttimmeren. Wanneer we beginnen voordat we precies weten waar het eindigt. Ook in contact met anderen herken ik dat patroon. Het gesprek wordt anders wanneer ik kies voor aardig in plaats van scherp. Wanneer gelijk hebben niet het doel is. Niet omdat ik geen mening heb, maar omdat verbinding bijna altijd meer in beweging zet dan overtuiging.

En misschien merk ik het daar wel het sterkst: in vertrouwen. Ik weet dat ik me kan vergissen. Dat weet ik inmiddels echt wel. Maar ik geloof ook dat het raam sluiten me uiteindelijk meer kost dan het me oplevert. Dat er iets verdwijnt wanneer ik mezelf te goed bescherm. Niet mijn scherpte, maar mijn openheid. En daarmee ook een deel van het plezier.

De eerste scheurtjes. 

Sinds ik kinderen heb, kijk ik anders naar onbevangenheid. Niet omdat zij iets anders meemaken dan wij destijds, maar omdat ik bij hen nog zie wat er later langzaam verdwijnt. Het is niet zo dat die onbevangenheid ineens verdwijnt. Ze krijgt scheurtjes. Kleine haarscheurtjes, die je in het begin nauwelijks ziet. En die ontstaan niet alleen op school, maar daar worden ze vaak wel zichtbaar.

Op school leren ze  veel van wat nodig is. Lezen, rekenen, schrijven, uitleggen. Het leert hoe je tot een antwoord komt en hoe je herkent of dat antwoord goed is. Het leert structuur, orde, en hoe je je verhoudt tot een systeem dat groter is dan jijzelf. Daar is niets mis mee. Integendeel. Het is noodzakelijk.

Maar terwijl dat gebeurt, gebeurt er nog iets anders. Kinderen leren wanneer het handig is om hun vinger op te steken en wanneer het verstandiger is om dat niet te doen. Ze leren dat sommige vragen slim zijn en andere minder. Dat fouten maken erbij hoort, maar liever niet te vaak en zeker niet te zichtbaar. Ze leren schrijven voor een sollicitatiebrief, niet voor een liefdesbrief. Langzaam verschuift de aandacht van proberen naar presteren, van nieuwsgierigheid naar zekerheid. Van hart naar hoofd. 

Ik moest daarbij vaak denken aan Sir Ken Robinson, die zo scherp verwoordde dat creativiteit minstens zo belangrijk is als taal en rekenen. Niet als bijvak, niet als leuke afwisseling, maar als kernvaardigheid. En dat het 50-50 verdeeld zou moeten zijn. Juist omdat empathie, verbeelding en expressie de dingen zijn die ons mens maken in een tijd waarin steeds meer berekend, geoptimaliseerd en geautomatiseerd kan worden. In een tijd die zo snel verandert dat we niet eens weten wat voor banen er over 20 jaar zijn. Hoezo moeten ze nu dan kiezen? 

Het moment waarop dat voor mij echt binnenkwam, had trouwens weinig met school te maken. Het gebeurde ergens anders, op een plek vol verhalen. Mijn oudste was een jaar of acht toen ik haar meenam naar Schotland. Het werd tijd haar te vertellen dat Sinterklaas niet bestond (die zin alleen al…)  Maar hoe ging ik dat eens aanpakken? 

We picknickten bij Loch Ness, aan de rand van dat grote, stille meer. Ik had de plek zorgvuldig uitgekozen. Ik vertelde haar over verhalen, over perspectief, over het idee dat je kunt kiezen wat je gelooft, en dat onze waarheid ook maar één manier van kijken is. En uiteindelijk hoe het ‘echt’ zat met Sinterklaas. 

Zij had geen idee wat ik voelde. Ze begreep het wel. Wat mij het meest raakte, was dat ik de magie voelde verschuiven. Van het ene verhaal naar het andere verhaal. Meer realistisch, dat wel, maar ook minder open. Weer een barstje en dit keer had ik hem zelf gemaakt. 

Wanneer het groter wordt dan wij. 

En misschien gebeurt dat op meer plekken tegelijk dan we doorhebben. We ruilen verwondering in voor zekerheid. Niet ineens, niet bewust, maar stap voor stap. We leren wat succes heet. Geld, status, diploma’s. Alsof ergens is vastgelegd dat dit de definitie van succes is.  Alsof iemand dat ooit heeft besloten en wij het alleen maar zijn gaan herhalen.

Dat is absoluut geen fout. Hoe makkelijk zou dat zijn? Geven we iemand de schuld en kiezen we voor iets anders, opgelost.  Nee, het is een systeem. En systemen doen wat ze moeten doen: ze maken het leven voorspelbaar, beheersbaar en meetbaar. Maar precies daar, in dat voorspelbare, leren we ook iets anders wat voor ons werkt.  We leren onszelf beschermen.

Deel 2: Wat we beschermen (en wat we verliezen).

We beschermen onszelf continu. Niet omdat we zwak zijn. Niet omdat we bang zijn. Nah ja, ik denk toch dat bang zijn wel een drijver is om onszelf te beschermen. Maar dat is niet het punt dat ik nu wil maken. We beschermen onszelf met name omdat we geleerd hebben dat het verstandig is. Dat het helpt. En vooral dat het werkt. 

Ergens onderweg hebben we opgepikt dat het beter is om te weten waar je staat dan om te laten zien dat je op zoek bent. Dat het veiliger is om een antwoord te hebben dan om een vraag te stellen die anderen misschien dom vinden. Niet omdat iemand dat ooit zo heeft gezegd, maar omdat we met schade en schande hebben geleerd wat werd beloond en wat niet.

Slim willen zijn is daar een logisch gevolg van. Wie slim is, maakt minder fouten. Wie slim is, valt minder op. Wie slim is, hoeft minder uit te leggen. Slim zijn betekent overzicht, en overzicht betekent controle. En controle voelt veilig.

De stille rol van schaamte.

Schaamte speelt daarin een grotere rol dan we vaak toegeven. Niemand wil dom gevonden worden. Niemand wil de enige zijn die het niet begrijpt. En dus leren we af te wachten voor we roepen. Eerst maar begrijpen voor we een vraag stellen en in actie komen. Natuurlijk zijn we nog wel nieuwsgierig, maar dat brengt inmiddels ook risico’s met zich mee. 

Langzaam gaan we denken in termen van goed en niet goed. Van juist en onjuist. En ergens onderweg krijgt ego daardoor een slechte naam. Alsof het iets is wat ons in de weg zit, iets wat we moeten afleren of onderdrukken.

Ego als beschermlaag.

Terwijl ego in de kern vooral een beschermlaag is. Iets wat we nodig hebben om overeind te blijven in een wereld die kijkt, vergelijkt en beoordeelt. Het helpt ons functioneren. Het helpt ons meedraaien. Het helpt ons succesvol te zijn volgens de maatstaven die we met elkaar zijn gaan gebruiken.

En die maatstaven zijn opvallend eensgezind geworden. Geld. Status. Diploma’s. Functietitels. Ik schreef het al eerder, alsof ergens is vastgelegd dat dit de logische uitkomst is van een goed besteed leven. Alsof succes iets objectiefs is, in plaats van een verhaal dat we elkaar blijven vertellen en steeds opnieuw bevestigen.

Toch sijpelt dit verhaal overal doorheen. In hoe we over werk praten. Over carrière. Over ‘het maken’. Over wat telt en wat een hobby mag blijven. We leren al vroeg wat serieus is en wat niet. Wat rendement heeft en wat vooral leuk is. Wat je kunt uitleggen en wat je beter voor jezelf kunt houden.

Wanneer beschermen een houding wordt. 

Het echte probleem is niet dat we onszelf beschermen. Dat is alleen maar goed. Het probleem is dat beschermen ongemerkt onze standaardhouding wordt. Dat het geen bewuste keuze meer is, maar een standaardreactie. We schakelen niet meer tussen open en gesloten, maar blijven vooral gesloten. Het raam gaat niet meer dicht wanneer het nodig is, maar blijft dicht uit gewoonte.

Vertrouwen wordt daarmee langzaam iets wat je moet verdienen, en openheid iets waar je voorzichtig mee moet zijn. Beginnen zonder plan voelt ineens onverstandig, of hooguit weggelegd voor mensen die het zich kunnen veroorloven. Onbevangenheid schuift ongemerkt op richting naïviteit, alsof het een fase is waar je doorheen groeit en die je vervolgens achter je laat, naarmate je serieuzer wordt.

Ook in relaties zie je dat patroon terug. We worden voorzichtiger met wat we laten zien, met wat we delen, met hoe snel we iets voelen. Niet omdat die gevoelens verdwijnen, maar omdat we hebben ervaren wat het betekent om geraakt te worden. En geraakt worden brengt altijd het risico met zich mee dat je iets kunt verliezen. 

Langzaam verandert ook onze taal. We praten vaker over targets, output, efficiëntie en groei. Over tijd als iets wat je kunt managen. Over rust als iets wat je moet verdienen. Het sijpelt erin, bijna ongemerkt, alsof alles een doel nodig heeft om bestaansrecht te hebben.

En terwijl dat gebeurt, verdwijnt er iets wat lastig onder woorden te brengen is. Niet abrupt, maar heel geleidelijk. Namelijk de ruimte om te spelen. De kans om te geloven dat iets er gewoon is, zonder reden. De bereidheid om verrast te worden, of om ergens aan te beginnen zonder vooraf te weten wat het oplevert. Dat het goed is om het gewoon niet te weten of geen mening te hebben. 

Alles wat controle geeft, haalt iets van de speelsheid weg. En jezelf beschermen maakt, hoe logisch ook, je wereld net iets kleiner dan waarschijnlijk nodig is. Iedere keer weer. 

Misschien is dit precies het moment waarop het de moeite waard wordt om opnieuw te kijken. Om met aandacht te kijken naar de beschermlaag die we allemaal hebben opgebouwd, en om te leren voelen hoe die soms helpt en soms wat in de weg zit.

Laten we niet op zoek gaan naar een verklaring. Maar laten we gewoon beginnen. Uit ons hoofd, naar ons hart. Nu we de gewenste houding weten, is het tijd ons gedrag erop aan te passen. 

👋
Misschien is dit ook het moment om even stil te staan bij het woord zelf: onbevangenheid. Het is zo’n woord dat we nauwelijks gebruiken, maar meteen herkennen. Het is ook een woord dat het zich moeilijk laat vertalen. Dat heb je vaak met ‘hart-woorden.’ Je kunt ze wel omschrijven, maar raakt nooit helemaal de kern. Heerlijk vind ik dat. 

Deel 3: Onbevangenheid in gedrag.

Er zit een verschil tussen iets begrijpen en er daadwerkelijk naar handelen. Dat verschil is groter dan we vaak denken. Veel ideeën sterven een zachte dood. Niet omdat ze slecht zijn, maar omdat ze überhaupt nooit uitgevoerd worden. Zo ook onbevangenheid. Een woord dat zich prima uit laat leggen maar je pas echt herkent wanneer het zichtbaar wordt. In gedag. In kleine keuzes, vaak op momenten waarop niemand kijkt.

Hart-woorden

Zo is het vaak met woorden die ik ‘hart-woorden’ ben gaan noemen. Liefde is er zo één. Probeer maar eens uit te leggen waarom je zoveel van je vrouw houdt. Je komt al snel uit bij eigenschappen: ze is knap, mooi, lief, je kunt met haar lachen. Allemaal waar. En toch raak je daarmee niet de kern.

Dat echte gevoel laat zich nauwelijks vangen in taal. Gelukkig maar. Juist dat onzegbare maakt het rijk. Niet meetbaar, niet logisch, niet mathematisch. Maar voelbaar. Precies waar ze horen. 

Ik merk dat onbevangenheid voor mij pas echt betekenis krijgt wanneer ik haar toelaat in wat ik doe. Ze zit in de beweging. In het alledaagse. In hoe ik reageer, in wat ik laat gebeuren, in de momenten waarop ik besluit niets meteen vast te zetten. Dat vraagt om vertrouwen. Het vertrouwen dat het uiteindelijk altijd wel goed komt. En dat fouten maken geen bewijs zijn van falen, maar onderdeel van het pad. En dat dit prima is. 

Het cadeau dat we geven noemen.

Vrijgevigheid is daar een mooi voorbeeld van. Iets geven zonder plan. Zonder verwachting. Zonder dat het ergens toe hoeft te leiden. Dat kan geld zijn, maar net zo goed tijd, aandacht of vertrouwen. Juist die kleine, onverklaarbare gebaren openen iets. Ze herinneren me altijd weer aan hoe ik me wil verhouden tot die wereld. Een hand op een schouder of een knipoog zonder iets te zeggen kan al meer dan genoeg zijn voor iemand om te weten dat je aan hem denkt in een moeilijke periode.

Het is één van de peilers  achter mijn nieuwe start-up erbij waarmee ik mensen wil kruisbestuiven met ongevangen gedrag.  Honing is het middel. Maar de reden dat ik ze per twee potjes verkoop is omdat ik vraag van mensen er eentje weg te geven aan iemand waarvan jij vindt dat die het verdient. Zonder er iets voor terug te vragen. 

Hetzelfde zie ik bij beginnen. Veel van wat voor mij betekenisvol is geworden, begon zonder duidelijk concept. Met een idee dat nog moeilijk onder woorden te brengen was. Met een richting die ik vooral voelde. Door te starten ontstaat er iets om op te reageren. Beweging brengt scherpte. In die beweging wordt langzaam duidelijk wat wil blijven en wat weer mag verdwijnen.

Deel waarom je iets doet en je verandert het gesprek. 

Wat ik echt heb geleerd is hoe belangrijk het is om woorden te geven aan de reden achter mijn keuzes en dit te delen met mensen. Wanneer ik deel waarom ik iets doe, verandert het gesprek. De druk van het juiste antwoord verdwijnt. Van goed of niet goed. Het is allemaal niet zo belangrijk. Er ontstaat zo ruimte om mee te denken, om vragen te stellen, om samen te bewegen. Het laat zien dat keuzes niet vastliggen, maar zich vormen terwijl je bezig bent. Voor mijn honingstartup ben ik daarom een ‘backstage’ pagina aan het bijhouden waarin ik open deel waar ik mee bezig ben, wat goed gaat maar zeker ook wat niet goed gaat. 

Ook verveling speelt daarin een rol. We gunnen onszelf die nauwelijks nog. Terwijl verveling juist ruimte opent. Een plek waar niets hoeft en ideeën vanzelf komen aanwaaien. Mijn beste gedachten ontstaan zelden in een modus waarin ik als een gek taken zit weg te werken, maar op momenten zonder doel of richting. Verveling is geen leeg iets, maar juist een vorm van vertrouwen. Even niet weten wat te doen maar wel blijven. Daar krijg je altijd iets voor terug. 

En dan ontstaat er ineens creativiteit. Niet als aangeboren talent, maar als keuze. Omdat je afwijkt van de voor de hand liggende route. De route die mensen verwachten. Door te kiezen voor onderzoeken in plaats van te optimaliseren. Door oplossingen toe te laten die menselijk aanvoelen, ook als ze minder efficiënt lijken. Misschien wel juist als ze minder efficient lijken.

Creativiteit heeft ruimte nodig. En die ruimte ontstaat vanzelf wanneer niet alles vooraf is dichtgetimmerd.

Deel 4: Opvoeden zonder alles dicht te plakken.

Opvoeden heeft me zachter gemaakt. Niet per se consequenter, ook niet zekerder, maar wel alerter. Omdat ik elke dag zie hoe onbevangenheid zich laat zien voordat wij er woorden aan geven. In hoe kinderen beginnen. In hoe ze geloven. In hoe ze iets willen afmaken, zelfs als de dag al voorbij is.

Bij ons gebeurt dat vaak ’s avonds. Bedtijd. Het moment waarop mijn energie op is en hun hoofd juist open lijkt te gaan. Vroeger kostte dat bij Anne veel tijd. Ze wilde de dag nog één keer doorlopen, moment voor moment. Wat er was gebeurd, wat ze had gedacht, wat nog bleef hangen. Ik voelde regelmatig ongeduld. De neiging om af te ronden. Terwijl juist daar iets gebeurde. Iets wat tijd nodig had.

Linde noemt het nu de dag doorscrollen. Vanuit stilte komen dan ineens vragen. Of opmerkingen. Dingen die voor mij willekeurig voelen, maar voor haar duidelijk ergens naartoe moeten. Alsof de dag pas klaar is wanneer alles even is aangeraakt. Ik moet mezelf vaak dwingen om daar ruimte voor te maken. Zeker als ik moe ben. En toch is het bijna altijd dankbaar. Omdat ik zie wat er gebeurt als ik niet dichtplak wat nog open is.

Geloven als oefening.

Dat zijn de momenten waarop geloven een oefening wordt. Een oefening in betekenis.. In het idee dat iets er mag zijn zonder dat het meteen opgelost hoeft te worden. Kinderen doen dat vanzelf. Tot wij beginnen te haasten. Te verklaren. Te sturen.

Anniek is daar vaak rustiger in dan ik. Zij kan iets laten liggen. Een vraag laten hangen. Niet omdat ze het antwoord niet weet, maar omdat ze voelt dat het antwoord niet het belangrijkste is. Ik merk bij mezelf dat ik sterk leun op mijn overtuigingen. Alsof ik gelijk wil hebben, terwijl ik het helemaal niet als wedstrijd ervaar. En juist dat maakt het ingewikkeld. Want Anniek ziet dit dagelijks gebeuren, als basisschooljuf, midden in de praktijk. Daar mag ik zelf onbevangener in zijn. Minder zeker. Meer luisterend.

Het proces belangrijker maken dan de uitkomst.

Wat ik onze kinderen vooral probeer mee te geven, is dat het om het proces gaat. Dat zeggen we vaak. Zeker bij zoiets als cijfers op school. Niet om resultaten weg te wuiven, maar om ze in context te plaatsen. Leren gebeurt onderweg. Begrip groeit zelden in één keer. Ik wil dat ze voelen dat proberen veilig is en onderdeel van de route.

Daar hoort voor mij ook bij dat ik weinig geloof in straffen. Wel in kaders. Duidelijke kaders. Zodat we als gezin weten wanneer de bal uit is. Dat moet helder zijn voor iedereen. Binnen die lijnen mag bewogen worden. Ik weet dat sommige mensen vinden dat ik niet streng genoeg ben. Prima.  Ik geloof daar niet zo in. Te veel strengheid wekt wantrouwen.  En wantrouwen is niet wat ik wil doorgeven.

Wat ik liever zie, is dat ze zelf ervaren waarom iets wel of niet werkt. Dat ze kunnen voelen wat hun gedrag teweegbrengt. Niet omdat ik dat opleg, maar omdat het zich laat zien. Dat vraagt tijd. Geduld. En soms het verdragen van ongemak. Ook bij mezelf.

Eerst ophalen, dan praten.

Ik hoorde ooit iemand in een podcast vertellen hoe hij met zijn dochters had afgesproken dat hij er altijd voor ze zou zijn. Ze waren inmiddels achttien. Zijn afspraak was simpel en onvoorwaardelijk. Wat er ook gebeurde, hoe diep ze ook in de shit zouden zitten, als ze zouden bellen en zeggen: je moet me nu komen halen, dan kwam hij. Zonder vragen. Zonder preek. Zonder voorwaarden.

De volgende dag zouden ze er wel over praten. Of later. Wanneer zij dat wilden. En als ze daar zin in had, gingen ze diezelfde nacht nog samen friet eten. Niet om het goed te praten, maar om te laten voelen: je staat er niet alleen voor. Dat moment van ophalen was geen oordeel, maar een vangnet.

Dat verhaal is me altijd bijgebleven. Omdat het voor mij zo scherp verwoordt wat vertrouwen eigenlijk is. Niet uitleggen wat iemand fout deed op het moment dat het misgaat, maar beschikbaar zijn. Eerst verbinding en veiligheid, daarna de rest. 

Ik heb dat één-op-één overgenomen. Niet als regel, maar als belofte. En ik heb het op een passend moment met mijn kinderen gedeeld. Dat ze altijd mogen bellen. Dat ik kom. Dat we het later wel hebben over het hoe en het waarom. Niet omdat alles kan, maar omdat vertrouwen niet iets is wat je randvoorwaardelijk wilt maken. Dit is er. No questions asked. 

Een speelveld met lijnen.

Voor mij is dat opvoeden zonder alles dicht te plakken. Niet alles vooraf reguleren. Niet alles afvangen met regels of consequenties. Maar laten voelen dat er ruimte is om fouten te maken, juist omdat je weet dat je niet valt. Dat vertrouwen niet iets is wat je verdient door je goed te gedragen, maar iets wat je krijgt en vervolgens leert dragen.

Misschien is dat wel het belangrijkste wat ik ze wil meegeven. Dat er kaders zijn, zeker. Dat de bal soms uit is. Maar dat het speelveld blijft. En dat ik, wat er ook gebeurt, ergens langs de lijn sta. Bereid om in te stappen wanneer het nodig is.

Deel 5: Onderwijs, werk en systemen.

Wat ik thuis zie gebeuren, zie ik ook daarbuiten terug. In onderwijs. In werk. In de systemen waarin we ons dagelijks bewegen. Niet omdat ze fout zijn, maar omdat ze iets anders belonen dan wat we misschien werkelijk belangrijk zouden moeten vinden.

Ik heb daar zelf vroeg kennis mee gemaakt. Ik scoorde het hoogst haalbare op de Cito-toets. 550 punten. En ik ging naar de HAVO. Waarom? Ik weet het eigenlijk niet precies. Mijn ouders ook niet toen ik het vroeg. Dat was het beste dachten ze toen. Ik vond het niet erg. Het voelde niet als een gemiste kans. Maar die vraag is me altijd bijgebleven. En waarom wordt er zo vroeg zo ‘definitief’ gekozen? En waarom hangt er zoveel gewicht aan dat ene moment?

Wat we meten, bepaalt wat telt.

Toetsen spelen daarin een grote rol. Alles lijkt te draaien om meten, vergelijken en presteren. Alsof cijfers het verhaal zijn, in plaats van één van de vele manieren om iets zichtbaar te maken. Ik merk dat ik daar nu anders in sta dan het systeem waarin mijn kinderen opgroeien. Als er een onvoldoende thuiskomt, zeg ik vaak dat het niet erg is. Dat het om het proces gaat. Dat ik graag help om te kijken waar het beter kan. Dat wordt niet altijd gewaardeerd. Alsof mijn reactie laat zien dat het cijfer me niet raakt. En eerlijk gezegd: dat klopt voor het grootste deel ook. Tegelijk begrijp ik heel goed dat het wél belangrijk is. Dat dubbele gevoel vind ik soms lastig.

Wat het ingewikkeld maakt, is dat cijfers niet alleen iets zeggen over een kind, maar ook over een school. Eindtoetsen zijn bepalend. Voor adviezen. Voor reputaties. Voor hoe een school wordt beoordeeld. Hoe hoger de scores, hoe beter het oordeel. Dat maakt het mechanisch. Alsof scholen er niet meer zijn voor kinderen maar kinderen voor scholen. En ik merk dat ik daar bijna naïef in blijf staan. Alsof ik het weiger helemaal te accepteren. Anniek ziet dat anders. Zij weet hoe de wereld werkt. Zij staat midden in die praktijk. En toch denk ik steeds vaker: als dit zo blijft werken, dan klopt er iets niet. En dat moet dus anders. 

Wat als we scholen niet zouden beoordelen op het hoogst haalbare, maar op wat er uiteindelijk ontstaat? Op hoeveel kinderen hun passie vinden. Op hoeveel mensen werk doen waar ze energie van krijgen en waarmee ze zichzelf, en later misschien een gezin, kunnen onderhouden. Niet op hoe hoog ze reiken, maar op hoe stevig ze landen.

Hoog en laag bestaan alleen in taal.

Die rangorde zit diep. We spreken over hoog en laag opgeleid. Per definitie geen neutrale termen. Alsof theoretisch automatisch hoger staat dan praktisch. Terwijl het voor mij voelt als een oud onderscheid tussen hoofd en hart. Succes lijkt nog altijd te worden gedefinieerd als universitair geschoold. Tegelijk is er een enorm tekort aan praktisch opgeleide mensen. En toch blijft het beleid erop gericht om zoveel mogelijk jongeren richting hbo en universiteit te bewegen. Dat leidt tot massastudies, te weinig docenten en opleidingen die steeds minder persoonlijk worden. Misschien begint verandering niet bij het nog een keer helemaal anders doen, maar bij iets eenvoudigers. Anders waarderen. Anders belonen.

Die verschuiving zie je ook in taal. Ik hoorde ooit een zin van Stef Bos die me is bijgebleven: op school leren we een sollicitatiebrief schrijven, maar geen liefdesbrief. Het raakt precies waar het schuurt. We leren hoe we onszelf moeten presenteren, maar minder hoe we onszelf mogen laten zien. Hoe we moeten passen, maar minder hoe we kunnen uitdrukken wat ons raakt. Terwijl creativiteit daar zit. Niet als luxe, maar als basis.

Ik geloof dat creativiteit geen bijvak zou moeten zijn. Geen leuke afwisseling. Maar een gelijkwaardige manier van kijken en werken. Misschien wel de helft van wat we leren. Juist omdat empathie, verbeelding en expressie ons mens maken in een wereld die steeds verder automatiseert. In een wereld die zo snel verandert dat niemand weet welke banen er over twintig jaar bestaan. Hoe logisch is het dan om kinderen nu al vast te zetten in keuzes die doen alsof die toekomst vaststaat? Hoe kunnen we kinderen nu een baan laten kiezen die over 20 jaar misschien niet eens meer bestaat?

Wanneer het systeem belangrijker wordt dan wat het mogelijk maakt.

Voor mij is creëren altijd de rode draad geweest. Maken. Bouwen. Iets tot leven brengen. Bedrijven zie ik daarin vooral als middel. Een manier om ideeën vorm te geven en om mensen mee te nemen. Het kan op duizend manieren. Dat is niet het punt. Het punt is dat het nooit het doel op zich wordt. Zodra het systeem belangrijker wordt dan wat het mogelijk maakt, verschuift er iets.

Wat blijft hangen, is geen antwoord maar een beweging. Een verschuiving die je nauwelijks vast kunt pakken maar des te meer kunt voelen. In die ruimte wordt zichtbaar hoe vanzelfsprekend het is geworden om door te blijven gaan. Om steeds verder te bouwen, te verbeteren en te optimaliseren, ook wanneer er niets ontbreekt. Het lijkt wel alsof rust pas mag ontstaan als alles klopt, terwijl rust misschien juist ontstaat als er niets meer bij hoeft; een mindset dus. 

Onbevangenheid levert een bijdrage aan die mindset. Geen tegenbeweging, maar een herinnering die we allemaal kunnen plaatsen. Dat niet alles groter hoeft om betekenis te hebben. Dat je kunt doen om het doen. Misschien is dat de stille kern die onder alles doorloopt. Een houding waarin aandacht belangrijker is dan tempo en aanwezigheid belangrijker dan voortuitgang. Dan is het nog een kleine stap naar die andere vorm van rijkdom. Namelijk dat genoeg genoeg is. Dat lukt maar moeilijk met bezit terwijl zaken als liefde en onbevangenheid eindeloos deelbaar lijken te zijn. 

Deel 6: Wat ik je mee wil geven.

Ik weet niet wat je meeneemt uit dit stuk. En eerlijk gezegd wil ik dat ook niet vastleggen. Het is geen verhaal met een boodschap die je moet onthouden, geen gedachte die je moet doorvertellen zoals hij hier staat. Als er iets blijft hangen, is dat genoeg.

Misschien is het een beeld. Een wiebelige zon. Een raam dat even open mag. Of dat kleine moment waarop je merkt dat je sneller wilt afronden dan nodig is. Dat je een antwoord paraat hebt, terwijl een vraag nog beter zou passen. Dat je iets dichtplakt wat eigenlijk nog even open mocht blijven.

Onbevangenheid laat zich niet vangen in regels of voornemens. Het is geen karaktereigenschap die je bezit, maar een oefening die zich steeds opnieuw aandient. In hoe je luistert. In hoe je begint. In hoe snel je iets wilt begrijpen, oplossen of verklaren. En in de momenten waarop je besluit dat niet te doen.

Het hoeft niet groots. Sterker nog, het werkt bijna altijd klein. In een gesprek dat je niet stuurt. In een keuze die je niet optimaliseert. In iets maken zonder precies te weten waar het eindigt. Vandaag. Hier. In iets wat nauwelijks opvalt, behalve voor jezelf.

Zie dit daarom niet als een conclusie, maar als een klein luikje. Je hoeft er niet doorheen. Het is al genoeg om te weten dat het er zit. Dat je het af en toe kunt openen. Gewoon, om even te kijken wat er gebeurt als je niets dichttimmert.

Laat het verder maar los.
En neem mee wat van jou is.